Wat moet je weten voor je examen wiskunde?

Het wiskunde examen is bij uitstek hét examen waar veel eindexamenleerlingen enorm tegen op kijken. Een goede voorbereiding zorgt ervoor dat je zonder stress naar het het wiskunde examen kan. Maar wat moet je nou eigenlijk allemaal weten voor je examen wiskunde?

In mei beginnen de eindexamens voor de scholieren van vmbo, havo en vwo. Uit onderzoek blijkt dat de meeste scholieren de meeste stress ervaren voor het vak wiskunde. Wiskunde is voor veel scholieren dan ook het moeilijkste vak op het voorgezet onderwijs (NOG, 2014). Bij wiskunde gaat het vooral om inzicht en logica, waar veel scholieren  moeite mee hebben. Het wiskunde examen verschilt per niveau en is op de havo en vwo ingedeeld in wiskunde A, B en C. Het examen in het vak wiskunde telt ongeveer 18 vragen en in totaal kan je tussen de 70 en 85 punten verdienen. (Zie voor meer informatie op: www.cito.nl). Maar wat moet je nou eigenlijk allemaal weten voor je examen wiskunde. We zetten het voor je op een rijtje:

Examen wiskunde vmbo

Het examen Wiskunde VMBO bestaat uit een groot deel uit meerkeuzevragen en een aantal open vragen. Een onderdeel van het examen is het kunnen aflezen van een tabel of grafiek. Het is daarom belangrijk dat je weet wat in een tabel de regels en kolommen zijn. Ook moet je uit een grafiek schommelingen, trends en periodiciteit kunnen aflezen uit grafieklijnen. Verder moet je grootheden kunnen omzetten naar andere grootheden. Er komen ook vragen waar je logisch moet redeneren, waar het vooral om inzicht gaat.

Wiskunde A (havo en vwo)

Het examen wiskunde A voor havo en vwo is vooral gericht op toegepaste analyse, kansberekening en statistiek. Op beide eindexamens moet je de eigenschappen van standaardfuncties beheersen, grafieken kunnen uitleggen en vergelijkingen kunnen oplossen. Ook moet je met lineaire en exponentiële verbanden kunnen rekenen.

Havo: Verder moet je op het examen wiskunde A op de havo statische onderzoek kunnen uitleggen en het verschil tussen twee verschillende groepen uit berekenen. ‘

Vwo: Tot slot wordt er op het examen wiskunde A op het vwo verwacht dat je telproblemen kunt oplossen en kunt rekenen met rijen. Ook moet je de afgeleide van een functie kunnen bepalen.

Wiskunde B (havo en vwo)

Bij examen wiskunde B voor havo en vwo is er aandacht besteedt aan analyse, meetkunde, algebra, formules en vergelijkingen en wiskundig nadenken. Op beide eindexamens wordt er van jou verwacht dat je de eigenschappen van standaardfuncties kent, grafieken kunt uitleggen en vergelijkingen kunt oplossen.

Havo: Op de havo wordt er verder nog verwacht dat je met evenredigheidsverbanden en periodieke functies kunt rekenen. Verder moet je meetkundige berekeningen uit kunnen voeren met afstanden en hoeken. Ten slotte moet je de afgeleide kunnen berekenen.

Vwo: Op het examen wiskunde B op het vwo moet je kunnen differentiëren en de eerste en tweede afgeleide kunnen gebruiken om een functie te onderzoeken. Verder moet je integralen kunnen berekenen en berekeningen kunnen uitvoeren bij periodieke verschijnselen. Uiteindelijk moet je kunnen rekenen met vectoren en met algebraïsche methoden in de vlakke meetkunde kunnen toepassen.

Wiskunde C (alleen vwo)

Het examen wiskunde C is de eenvoudigste vorm van wiskunde (eenvoudiger dan wiskunde A). Het examen is net als bij het examen wiskunde A gericht op toegepaste analyse, kansberekening en statistiek. Zo moet je de eigenschappen standaardfuncties kennen, grafieken kunnen uitleggen en vergelijkingen kunnen oplossen. Verder moet je met lineaire en exponentiële verbanden kunnen rekenen. Tot slot wordt er verwacht dat je telproblemen kunt oplossen en kunt rekenen met rijen. Ook moet je de afgeleide van een functie kunnen bepalen.

Terug naar blog overzicht

Gerelateerde artikelen

Leren is leuk met Kahoot!